Nieuwe kerndoelen = kansen voor collectief vakmanschap

De stem van de extern deskundige

Terug naar ovezicht

Onderwijs dat kinderen naar een niveau brengt dat recht doet aan hun kwaliteiten kan echt anders. De geactualiseerde kerndoelen bieden precies die kans. “Het geeft kindcentra de gelegenheid om opnieuw na te denken over welke kennis, denkvaardigheden en manieren van werken zij bij kinderen willen ontwikkelen, en hoe dit zichtbaar terugkomt in het curriculum - het leerplan - van peuter tot puber”, stelt Dominique Sluijsmans, gepromoveerd onderwijsdeskundige gespecialiseerd in onderwijsontwerp en toetsing.

Van niveaus naar gelijkwaardigheid

“Mijn hoop is dat de geactualiseerde kerndoelen scholen helpen om anders naar ontwikkeling en talent te kijken”, vertelt Dominique. "De kracht van de nieuwe kerndoelen zit niet alleen in wat kinderen moeten kennen, maar vooral in de kans om curricula te ontwerpen rondom rijke taken; taken waarin kinderen leren onderzoeken, ontwerpen, creëren, samenwerken en reflecteren.”

“Dat vraagt een andere bril: niet kijken naar wat kinderen niet kunnen, maar informatie gebruiken om te achterhalen hoe zij denken en werken. Want een gezonde samenleving heeft mensen nodig die creatief ontwerpen, praktisch handelen, kritisch onderzoeken, zorgzaam samenwerken en nieuwe oplossingen bedenken. Geen van die kwaliteiten is meer of minder waard. Toch praten we in het onderwijs nog steeds in termen van 'hoog' en 'laag', woorden die simpelweg niet passen bij de breedte van wat kinderen kunnen en zijn.”

“Dat heeft ook gevolgen voor hoe we toetsen en hoe we over kinderen praten”, vervolgt Dominique. “Sommige kinderen laten hun kracht zien in analyseren, anderen in maken, onderzoeken, creëren of organiseren. Juist daarin liggen kansen voor kindcentra: niet om kinderen te classificeren, maar om hen te helpen ontdekken waar hun talenten, motivatie en plezier liggen. Toetsing zou die ontwikkeling zichtbaar moeten maken in plaats van vroegtijdig kinderen in een hokje stoppen. Vooral ook omdat we eigenlijk niet precies weten over welke hokjes we het dan hebben en die indeling dan maar door de toetsscore te laten bepalen."

Toetsen om te onderzoeken in plaats van oordelen

Bij het onderwerp toetsing ziet Dominique een terugkerend sentiment. “Als ik kinderen daar vragen over stel, brengen zij toetsen vaak in verband met stress, paniek en kennis in je hoofd stampen. Uit die reacties kunnen we aflezen dat wij kinderen opvoeden met het idee dat toetsing iets is waar je bang voor moet zijn. We vergelijken (soms bewust, soms onbewust) resultaten met die van andere kinderen en geven toetsresultaten veel betekenis in het leerproces. Daar heb ik grote vraagtekens bij.”

“Onderdeel van mijn werk is de uitdaging om toetsing weer een positieve associatie te geven: het is een natuurlijk onderdeel van leren. In feite is een toets een onderzoek, gebaseerd op de hypothese dat kinderen de lesstof onder de knie hebben. Met een toets verzamelen we informatie om te concluderen in hoeverre die hypothese klopt.”

“Als je er zo naar kijkt, zegt een toets niet zozeer iets over de kinderen, maar meer over hoe de leerkracht te werk gaat”, stelt Dominique. “Wat wil je dat de kinderen in jouw groep weten en begrijpen en hoe breng je dat over op een manier die blijft hangen? Een toets moet kinderen niet onnodig in de ‘presteerzone’ duwen; het mag een onderzoek zijn naar welke kinderen extra hulp nodig hebben. Klopt de aanname die je over het leerproces van de kinderen had? Dát is de vraag die een toets beantwoordt.”

“Als de druk die op toetsing ligt verdwijnt, kunnen kinderen het weer als iets veiligs ervaren. Want toetsing zonder angst is pas echt betrouwbare informatie, voor kind en leerkracht. En als een toets andere informatie laat zien dan je had verwacht of gehoopt, kun je kritisch kijken naar het leerplan, je lessen en tijdig aanpassingen doen in je didactisch handelen.”

“In het geval van de doorstroomtoets moeten we ons afvragen of de conclusies over individuele kinderen die we trekken uit die resultaten de juiste zijn”, voegt Dominique toe. “Maar als we ermee stoppen, moet daar een andere, zorgvuldige visie op toetsing voor in de plaats komen, die bijdraagt aan de ontwikkeling van kinderen en onderzoekt welke vervolgstappen bij ze passen. De huidige doorstroomtoets waardeert vooral taalvaardigheid, rekenvaardigheid en een specifieke vorm van analytisch denken. Maar kinderen beschikken over veel meer manieren om talent en begrip zichtbaar te maken. De vraag is dus niet alleen wat we meten, maar ook welke vormen van denken en kunnen we als samenleving belangrijk vinden.”

Doorgaande lijn van peuter naar puber

In de opvang wordt al een belangrijke basis gelegd voor nieuwsgierigheid, taal, onderzoeken, samen spelen en probleemoplossend denken. “Dat begint niet met oefenen voor school, maar met rijke interacties, spel, verhalen en verwondering. Rijke interactie is bijvoorbeeld een pedagogisch professional die bij het voorlezen niet alleen het verhaal vertelt, maar ook vraagt: 'Wat zou jij doen als jij dat kind was?' en dan echt luistert naar het antwoord”, vertelt Dominique. “Hoe stimuleer je taalontwikkeling? Welke boeken en rijke teksten gebruik je in de groep? Het belangrijkste is dat kinderen nieuwsgierig worden naar taal en enthousiast worden over sociale interacties. Veel voorlezen, rollenspellen doen, onderzoekende vragen stellen en op pad gaan dragen daar allemaal aan bij.”

Samen vakmanschap omarmen

Hand in hand met de actualisatie van de kerndoelen, komt nadenken over vakmanschap, zowel individueel als van het hele team samen. “Wat mij betreft (maar daar mag iedereen anders over denken) gaat vakmanschap in opvang en onderwijs over drie dingen”, legt Dominique uit.

“Ten eerste: werken met kinderen - de meest kwetsbaren van onze samenleving - vraagt om een moreel kompas en integriteit. Het is belangrijk om je bewust te zijn van de omgeving waarin je werkt en dat dit ethisch gedrag met zich meebrengt. Als kind heb je recht op professionals die zich kunnen verplaatsen in jouw schoenen en altijd het allerbeste met je voor hebben.”

“Het tweede essentiële onderdeel van vakmanschap vind ik een stevige kennisbasis. We noemen vakmensen zo omdat ze weten waar ze het over hebben. Net als bij de kinderen houdt jouw eigen leren ook nooit op, dus mijn advies is om jezelf te blijven ontwikkelen. Nieuwe kennis hoeft trouwens niet per se uit een cursus te komen: vraag actief naar (veilige) feedback van anderen over hoe je dingen anders kunt aanpakken.”

“Het derde aspect van vakmanschap zit ‘m in je onderzoekende vermogen. Ben je in staat om je eigen praktijk te bevragen, bronnen te zoeken en onderzoek te doen? Dit kun je als team ook collectief doen: gebruik studiedagen bijvoorbeeld om samen werk van kinderen te bekijken, lessen te analyseren of te bespreken welke denkvaardigheden in taken zichtbaar worden. Vaak gaan kindcentra hier pas mee aan de slag als de inspectie langskomt, maar dan ben je eigenlijk aan het ‘stampen voor de toets’ en dus reactief aan het werk.”

Vragen die teams samen kunnen beantwoorden, zijn bijvoorbeeld: Hoe komt vakmanschap bij ons tot uiting? Hoe maken we elkaar beter? Zijn we een collectief of een groep individuen (en zijn we eigenlijk afzonderlijk aan het worstelen)? Hoe kunnen we elkaar helpen en (nog) beter worden in wat we doen als team? Met elkaar meelopen en observaties delen is een goede manier om hiermee aan de slag te gaan, aldus Dominique: “Ga bij elkaar in de groep kijken tijdens een les, of initieer een bezoek bij een ander kindcentrum dat je inspirerend vindt.”

Pak zelf de regie

Terug naar de geactualiseerde kerndoelen. “Niet te verwarren met het curriculum”, benadrukt Dominique: “Dat is één van de grote misvattingen. De nieuwe kerndoelen zijn een concreet handvat voor kindcentra om te onderzoeken hoe die zich verhouden tot het huidige leerplan.”

“Vragen die je met elkaar kunt stellen, zijn: In hoeverre komen de kerndoelen en ons leerplan met elkaar overeen? Waar zien we een kloof tussen wat we nu organiseren en wat de vernieuwde kerndoelen van ons vragen? Accepteren we dat een methode bepaalt hoe we leren, of pakken we zelf de regie over ons leerplan? Waar liggen kansen voor verbetering in onze opvang en in ons onderwijs? Hoe blijven we nieuwsgierig naar kinderen en hun manieren van leren en hoe voorkomen we aannames? Onderschat daarin ook niet de kracht van de tiny gains. Wat kun je morgen in je lessen of toetsing al anders doen? Een voorbeeld is om stil te staan bij of een eerste aanname over een kind wel klopt en jezelf de tijd te gunnen die aanname te onderzoeken.”

Volgens Dominique werkt de angst voor tegenvallende toetsresultaten hierin vaak verlammend voor kindcentra. “Over het algemeen laten we toetsresultaten ‘vertellen’ wat de kwaliteit van het onderwijs op een kindcentrum is, terwijl dat slechts één van de databronnen is. Dit houdt kindcentra tegen in het pakken van de regie, omdat ze geen slechte beoordeling willen van de inspectie. Maar soms is een onvoldoende niet erg en kan het zelfs nodig zijn om beweging te creëren en de kwaliteit van onderwijs op de lange termijn te verbeteren. Bij scholen die zelf de regie durven te pakken en dus bezig zijn met belangrijkere dingen dan alleen de toetsresultaten, volgt de rest eigenlijk vanzelf: vanuit de visie waar je als team samen invulling aan geeft en de schouders onder zet. Dat is collectief vakmanschap. Als teams samen regie voeren over hun curriculum en blijven onderzoeken wat goed onderwijs vraagt, ontstaat er iets krachtigs: collectief vakmanschap dat kinderen helpt ontdekken hoe zij op hun eigen manier kunnen bijdragen aan de wereld.”

Over Dominique Sluijsmans

Dominique Sluijsmans is hoogleraar Leren, beoordelen en technologische innovaties aan de Hogeschool Rotterdam en een veelgevraagd spreker en adviseur op het gebied van onderwijsontwikkeling en toetsing. Ze zet zich al jaren in voor kansrijk onderwijs, professionele ontwikkeling en formatief handelen. Dominique begeleidt scholen en organisaties bij curriculumontwikkeling, kwaliteitsvraagstukken en het versterken van collectief vakmanschap binnen teams.

Andere verhalen